Meditatie

GEEN VERWIJTEND, MAAR EEN GEVEND GOD

En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt en zij zal hem gegeven worden (Jakobus 1: 5).

Dit is een kostelijk woord, door Jakobus aan de kerk des Heeren voor alle eeuwen nagelaten. Het is voor vandaag van toepassing evenals toen. Jakobus heeft dit geschreven aan de 12 stammen, die in de verstrooiing waren. Het woord verstrooiing zegt ons iets omtrent de levensomstandigheid van de christenen van die tijd. Deze was verre van rooskleurig. Nu wil Jakobus hun de juiste gedragslijn voorhouden ten opzichte van deze omstandigheid. Zij moeten door dit alles niet moedeloos worden, doch het voor een grote vreugde achten, wanneer zij in velerlei verzoekingen vallen. Het woord verzoekingen heeft hier geen verkeerde inhoud. Verzoekingen in de kwade zin vloeien voort uit ons eigen vlees of komen ons toe door de satan. Zij zijn er altijd op uit om ons ten verderve te voeren. Zo doet de Heere het nooit. De verzoekingen of beproevingen door Hem ons toegezonden bedoelen ons nut. De Schrift zegt, dat de Heere ons kastijdt tot ons nut. Hij kastijdt degenen, die Hij liefheeft. Ja, Hij geselt een iegelijk zoon, die Hij aanneemt. Dit wordt door Gods kinderen niet altijd doorzien. Wanneer zij het nut er van mogen opmerken, stemmen zij met de dichter in: ’t Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest. Zij trekken dan voordeel uit het leed. Wanneer de Heere ons beproeft zal de satan alles op alles zetten om deze beproeving in een verkeerd daglicht te stellen. Satan is de verklaarde vijand van God en altijd zal hij trachten kwaad van God te spreken en ons daarmee te doen instemmen. De satan wil de beproevingen des Heeren, zo hij kan, omwerken en tot verzoekingen maken. Hoe vaak stemt ons vlees daarmee in. Jakobus wil de verstrooide christenen opwekken om blij te zijn met deze beproevingen, omdat ze zo heilzaam zijn voor het geestelijk leven. De beproevingen zijn er op ingesteld om in ons lijdzaamheid te werken. Lijdzaamheid, geen lijdelijkheid, is volharding, geduld, en deze wordt beoefend door het geloof. De apostel wil de verstrooiden aansporen en opwekken om in deze het hoogste ideaal te bekomen, om de voetstappen te mogen drukken van hun grote Meester. Zij moeten daarnaar jagen, evenals Paulus, want daartoe zijn zij door Jezus Christus gegrepen. Dat de Heere de beproevingen geeft uit liefde, wordt echter vaak zo verkeerd begrepen. Wie denkt niet aan Asaf? Heeft hij er niet van gezongen in zijn psalmen? Deze zielestrijd wordt door Gods kinderen vaak ervaren. Asaf heeft geprobeerd de beproevingen des Heeren te begrijpen en met zijn verstand te doorvorsen. Het was echter moeite in zijn ogen. Hij kon het niet. En hoe dikwijls is het zo niet in het leven van Gods kinderen. Daarom geeft Jakobus aan de verstrooiden een goede raad. Hij spoort ze niet aan om de Heere voor hun vierschaar te dagen. Integendeel, hij wijst een uitnemender weg. Als u wijsheid ontbreekt, begeer ze dan van God.

Wie is wijs als Hij? De Heere heeft het graag dat wij tot Hem komen om Zijn wijsheid te begeren, want Hij geeft mild en verwijt niet. Hij wil die geven aan een iegelijk, in de verschillende wegen en omstandigheden, waarin men zich bevindt. De Heere doet dat door Zijn Woord en Geest. De ware wijsheid wordt ontvangen in de vreze des Heeren. Werd het begeren van deze wijsheid maar meer bij ons gevonden. Voor God bestaan geen problemen, vragen of onmogelijkheden. Wat Zijn goedheid wil bewerken, ontzegt Hem Zijn vermogen niet. Hij verwijt nimmer. Verwijten doen de mensen. Verwijten doen wij allemaal op onze tijd. Wanneer wij iemand verwijten doen we dat vaak met een bitter gemoed. Wat kunnen wij onze medemensen pijn doen met onze verwijten. Onze woorden kunnen als messteken treffen. Jakobus zegt, dat onze tong in deze een onbedwinglijk kwaad is. En we hebben helemaal geen recht om iemand iets te verwijten, want wij zijn zelf vol fouten. Bij de Heere is dat anders. Menigmaal betichten wij Hem van onrecht. Maar niet wij, maar Hij heeft recht om te verwijten. Maar Hij doet het niet. Wat een wonder is dit. Als we dat zien, verwijten wij ons zelf onze zonde en schuld. Asaf zegt dan: Ik ben een groot beest bij U. En wat heeft Job zichzelf zijn opstand verweten. God is zo oneindig goed en geduldig en genadig. Wanneer wij daar iets van mogen zien, buigen wij voor Hem, geven wij Hem gelijk en schrijven Hem geen onrecht toe, ook al is de weg nog zo moeilijk en zwaar. Dan komt er een stil aanbidden en een buigend roemen. De dichter van psalm 119 zegt: Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik. Ik weet, o Heere, dat Uw gerichten gerechtigheid zijn en Gij mij liet verdrukken uit enkel trouw. Dan wordt de Heere op het hoogst verheerlijkt en de zondaar op het diepst vernederd. Ontbreekt u wijsheid, begeer ze dan van Hem. Hij geeft mild en verwijt niet. Wat een heerlijke pleitgrond heeft de Heere ons in dit woord gegeven. We mogen in ons gaan tot Hem dit woord meenemen. De Heere is getrouw aan Zijn eigen Woord. Wijsheid ontbreekt ons allen. In de hof van Eden hebben wij de ware wijsheid verspeeld. Het leven buiten God wordt in de Schrift dwaasheid genoemd. Groter dwaasheid is er niet. De Heere wil ons de wijsheid geven en Hij doet dat in Christus. Paulus zegt er van, dat Christus ons geworden is tot wijsheid van God en tot rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing. Bezit u deze wijsheid? Zo niet, zoek ze dan. Deze wijsheid gaat elk bezit in deze wereld ver te boven. Anders sterft u in uw dwaasheid. Denk aan de rijke dwaas. Is het geen eeuwig wonder, dat God voor vijandige, dwaze mensen, zoals wij zijn, wijsheid heeft gegeven in Jezus Christus, Zijn Zoon? Deze Zoon bezit alles. Men noemt Hem Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst. God gaf Hem als een gave. Erken dan die God in Zijn wijsheid en goedheid, ontferming en genade, in Zijn liefde, rechtvaardigheid en heiligheid. Ja, prijs Zijn naam en verheerlijk Hem!

Ds. Marinus Sander Roos (1897 – 1971)