Meditatie juni 2024

HET WERK VAN DE HEILIGE GEEST IN DE GELOVIGEN

Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft (1 Johannes 4 : 13).

De Heilige Geest wordt dus aan de gelovigen geschonken. Dat zal nog nader blijken als wij in overweging nemen het heerlijke werk van de Heilige Geest, dat Hij verricht in de harten van de gelovigen, en waartoe Hij hun van God geschonken wordt. De catechismus roert daarvan enkele zaken aan, waarin hij het gehele werk des Geestes tot der gelovigen zaligheid samenvat. Hoe Hij ons met Christus en Zijn weldaden door het geloof verenigt. De Heilige Geest wordt de uitverkorenen gegeven, opdat Hij hun allen, zonder onderscheid, door een oprecht geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt. Hij is de Geest des geloofs. (2 Kor. 4). Waar Hij tot zaligheid in de harten van de mensen werkt, daar ontsteekt Zijn almachtige kracht, werkende door de wet en door het Evangelie, het waarachtige licht des geloofs. Hij is ook de Geest van Christus. Wanneer diezelfde Geest Die in Christus woont, ook in ons Zijn intrek neemt, dan kan het niet anders zijn of Hij moet ons door het geloof zo nauw met Hem verenigen dat wij de Heere aanhangen en één geest met Hem zijn (1 Kor. 6). De tekst zegt ervan:  “Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.” Als wij slechts algemene gaven of weldaden van de Heilige Geest ontvingen, dan zouden wij die gemakkelijk kunnen genieten buiten de zalige gemeenschap van de Heere Jezus.  Want op die wijze bezitten ook de tijdgelovigen en de verworpenen veel algemene gaven, krachten en aandoeningen van de Heilige Geest. De Geest is als de band der volmaaktheid, die ons alleen zeer nauw met Hem verenigt door het geloof, wat Hij in ons werkt en dagelijks versterkt. Stefanus was een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes. Zie, waar de Geest is, daar is ook het geloof, en waar het geloof des Geestes is, daar moet ook een ware gemeenschap met Christus zijn, want het geloof is in hand van de ziel die Hem aangrijpt. Daardoor treden wij geheel uit onszelf, en geven ons aan Christus over, en omhelzen Hem voor ons algenoegzaam Hoofd en onze Verlosser, en stellen alleen op Hem en Zijn verdiensten ons vertrouwen. Zo leven wij in Hem en door Hem. Zo zijn wij met de Heere Jezus verenigd, en met Hem getrouwd door de Geest des geloofs. Wij zijn in Hem, en Hij woont in ons, en door Hem hebben wij ook gemeenschap met de Vader. O, zaligste zielsvereniging. Dit maakt de dat de armste gelovigen, ook zelfs in hun ellendige staat, de gelukkigste mensen van de wereld zijn.

De Heilige Geest verenigt de gelovigen met Christus. Laat dit geloof vrij beproefd worden door veel verzoekingen, het zal er maar des te zuiverder en vaster door worden. De tekst zegt het: de beproeving van hun geloof is immers veel kostelijker dan het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt. Een geloof waarvan Gods Geest de Werkmeester en Bevestiger is, kan nooit vergaan, al zou het zelfs door de vlammen van het helse vuur beproefd worden. Daarom blijft de zalige gemeenschap van de gelovigen met de Heere Jezus Christus eeuwig en bestendig, ja ze neemt dagelijks toe naar de geestelijke wasdom des geloofs, totdat het tenslotte ook moet heten: “Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof” (Kol. 2). Wat een onnaspeurlijke, goddelijke rijkdom brengt de Heilige Geest  de kinderen Gods hierdoor aan. Hij maakt hen langs die weg de gelukkigste bezitters en deelgenoten van Zijn weldaden. De gelovige, gesterkt in de Heilige Geest, legt de hand van eigendom op de goddelijke Persoon van de Zaligmaker én op Zijn oneindige algenoegzaamheid, en eigent zich die gelovig toe. Hij zegt met een onuitsprekelijke vreugde en geloofsroem: “Zie, nu bezit ik, arm doemwaardig schepsel, de Zoon en de Vader en de Heilige Gees, bij de gehele volheid van God. Wat zou mij ontbreken? Wat zou ik meer begeren? Die God is ons een God van volkomen zaligheid” (Ps. 68).

O, wat is dat te zeggen! Welk oog heeft gezien, welk oor heeft gehoord hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. Dit is rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen van het Koninkrijk (Jak. 2). Laten de arme wereldkinderen hun schatten vergaderen, en dan trots zijn op hun nietige rijkdom terwijl zij niet rijk in God zijn. Ellendige waan! Omdat de goedertieren Vader, Die ook Zijn ergste vijanden wil goeddoen, hun een brok van aardse zegen met Zijn linkerhand heeft toegeworpen, en hen op een ijdele erestoel heeft geplaatst. Daarom beelden die dwaze mensen zich in dat zij het voornaamste en gelukkigste volk van de wereld zijn, waarvoor alle man het hoofd moet buigen. En toch, helaas, missen zij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en alle licht, leven en zaligheid. O, arme mensen! De ellendigste christen in Christus is duizendmaal rijker en gelukkiger dan u allen tezamen bent. De Geest is het Die ons rijk moet maken, en niet het goude en het zilver dat vergaat.

Ds. Theodorus van der Groe (1705 – 1784)